2022 02-II Het nieuwe Mu.ZEE, een concepttekst

V O O R A F G A A N D

De volgende tekst is geschreven naar aanleiding van een wedstrijdaanbesteding voor architectenteams met de renovatie van Mu.ZEE, het Museum aan de Zee te Oostende, als oogmerk. De opdrachtgever liet voorafgaand een ontwerp opmaken en voorbije jaren werden reeds werken uitgevoerd, hoofdzakelijk in de kelders die als archief dienst doen. Slechts een beperkt deel van de collectie 20-eeuwse Belgische kunst wordt tentoongesteld.             
Een bezoek aan Mu.ZEE leert verder dat opstellingen problematisch zijn en er veel ruimte(-telijkheid) verloren gaat in wat een aanbod van aanpassingen, toevoegingen en nu ook ontmantelingen lijkt. Het begon begin tachtiger jaren na de aankoop door de provincie West-Vlaanderen van het initieel door Gaston Eysselinck als warenhuis ontworpen gebouw aan de Romestraat, toen de open westgevel omwille van hinderlijke lichtinval werd dicht gemetst. Deze en volgende ingrepen deden de transparantie van het gebouw te niet, zonder veel meerwaarde aan de nieuwe museumfunctie te bieden. De blinde wand die voor meer verticale expositiekracht had moeten instaan, blijkt nu een gefragmenteerde offset te zijn met talrijke deuren, doorgangen, kwetsuren, onregelmatigheden, …

Bij het warenhuis aan de Romestraat hoorde een bevoorrading via de Gentstraat, eveneens door Eysellinck ontworpen. Later werden panden aan de Amsterdamstraat bijgekocht wat het gehele gebouwenpatrimonium niet alleen uitgebreider maakt, doch tevens complexer.

De vraag stelt zich waarom het bestuur van Mu.ZEE het nu reeds ontwikkelde ontwerp in deze wedstrijdformule aan een onderzoek wil onderwerpen. Wil het dit ontwerp optimaliseren aan de hand van opmerkingen geformuleerd door de deelnemende teams of stelt het zich vragen ? Welke vragen ? Wil het niet de fout van het verleden maken door telkens plaatselijke en/of selectieve ingrepen op korte termijn te plannen en dat zonder een gedegen visie over zowel het geheel als over langere termijn. Is het tot een slotsom gekomen dat probleem-oplossende, louter technische, functionele, praktische, … interventies niet tot een duurzame werking en uitstraling leiden ?              
Dat is toch althans de indruk die men krijgt bij een huidig bezoek aan Mu.ZEE. Mij overviel het gevoel van een gemiste kans. Ook het scenografische ingrijpen van het ROTOR Collectief lijkt me eerder schoorvoetend en aftastend, dat terwijl er wel een uitgesproken visie van uit gaat. Me dunkt dat het daarom geen kwaad kan zich vragen te stellen.

Een van de deelnemende architectenbureaus vroeg me om op korte termijn een architecturale visie aan te zetten en die in een concepttekst uit te schrijven. Het verheugde me zeer om de immer accurate Marc Dubois in het team opgenomen te zien. We hadden het onlangs nog over het gebouw van Eysselinck waarbij Marc sprak over de ‘dwingende aard van de architectuur’, daarmee doelende op de strakke circulatie met zijn ontdubbelde steektrappen en de originele winkelinrichting die geen antwoord kon bieden op het geëvolueerde shoppen einde 20ste eeuw.

Na verdere beschouwing ben ik er nochtans van overtuigd dat het warenhuis van Eysselinck en bij uitbreiding het volledige complex, met haar initiële en dus te herwaarderen insteken, als museum de 21ste eeuw kan instappen. Niet alleen als een volwaardig museum, maar vooral als een museum met karakter waarin een meesterlijke collectie kan vertoeven.        
M.a.w. wanneer men er in slaagt problemen tot troeven om te buigen. Wanneer men het licht in de gedaante van wisselende Noordzee-atmosferen kan herintroduceren, als kleur-neutrale grisailles. Wanneer men het directe zonlicht weet te modelleren tot het in de juiste plooien valt, met uitgekiende licht- en schaduwvlakken.              
Wanneer men de gebouwen van Eysselinck als een structuur opvat; een open constructie met een transparante ruimtelijkheid en een ‘vrij plan’. Waarmee hier reeds een schot voor de boeg wordt gelost.

In de tekst die volgt werden de (te) concrete verwijzingen naar het in voegen zijnde dossier geschrapt. Het gaat hier in deze publicatie om een visie op het gebouw van Eysselinck, die voor wat een aantal kerngedachten betreft reeds schetsmatig werden onderzocht, en vooral ook om de vraag wat een museum van de 21ste eeuw mag betekenen.

I N L E I D I N G

Het hoeft geen betoog dat het Mu.ZEE-project dat nu op stapel staat, door de integrale en bevragende aanpak, enorme kansen biedt. Een dergelijke complexiteit, van zowel dossier als context, vereist een ‘integraal denken’. Dat moet uiteindelijk leiden tot een masterplan waarbij niet alleen ruimtes worden uitgetekend, doch ook krijtlijnen in de tijd worden uitgezet.            
In die zin kan het nieuwe Mu.ZEE niet alleen betekenisvol zijn, het moet dat zijn.

De draagwijdte van het geplande initiatief reikt van lokaal tot internationaal. Met haar imposante vaste collectie en een uitzonderlijk gebouwpatrimonium kijkt het project terug naar het verleden, maar stelt zich ook de vraag naar de toekomst ; hoe zal het Museum aan de Zee van de 21ste eeuw ogen ?

De architectuur kan hier dan ook niet los gezien worden van een artistieke visie. De architectuur kan hier niet uitsluitend ‘op zich’ staan, noch uitsluitend een facilitator. Ze moet haar rol, op een dienende, vooral inhoudelijke wijze overstijgen. Genesteld in de omgeving van een stad kan Mu.ZEE een sociale motor zijn voor de plaatselijke gemeenschap. Door het uitspelen van een aantal onschatbare troeven kan haar uitstraling tegelijkertijd overzee gaan. 
Vandaar de woordkeuze bij aanvang ; betekenisvol. Of, om het als een vraag te stellen ; hoe kan het nieuwe Mu.ZEE op een indringende wijze veelbetekenend zijn ?

Deze vraag en denkoefening raakt zowat alle problematieken aan ; van ‘tentoonstellen’ tot coherente werking, van vormgeving tot technieken, en mag dan ook als toetssteen hernomen worden bij de evaluatie van zowel de eerste schetsen als bij de verdere ontwikkeling van de architectuur.

Betrachting is hier een ‘open’ visie te ontwikkelen met enerzijds flexibele, polyvalente, modulaire, tijdelijke formules, anderzijds met concrete stellingnames, maar vooral met oog op een verdere dialoog met het Mu.ZEE-team.    
Sowieso kan men musea niet meer opvatten als logge instituten, wel als levendige plekken die in gesprek treden, dingen bespreekbaar maken en verbindend te werk gaan, die de intentie en capaciteit hebben zich te vernieuwen, zowel een kritische noot kunnen kraken als een moment van verpozing bieden.

V E R L E D E N

Mu.ZEE kan terug kijken op een collectie 20ste-eeuwse, hoofdzakelijk Belgische kunst met topstukken van J. Ensor, L. Spilliaert, R. De Keyser, T. De Cordier… en een gebouwenpatrimonium waarvan het door Gaston Eysselinck als warenhuis ontworpen pand aan de Romestraat wel een parel mag heten.

Het gebouw van Eysselinck werd gerealiseerd tussen 1950 en ’55, maar de roots van de architect liggen in het Interbellum, periode van het Modernisme; toen Ensor nog actief was, Spilliaert net zijn beste werk geschilderd had, Permeke huwde en zich te Oostende zou vestigen (1912), Servranckx zijn ‘figuratieve abstracten’ ontwikkelde. Kunst en architectuur kunnen hier op unieke wijze terug samen komen. Het moet mogelijk zijn de gevoeligheden van toen terug in het leven te roepen.

Er wordt niet gevraagd het warenhuis exact te reconstrueren. Wel is het mogelijk om :

  • de geest van de architectuur en vooral haar imposante ruimtelijkheid weer op te roepen,
  • de vooruitgangsidee die er inherent met is verbonden op duurzame wijze te herinterpreteren en
  • aan de hand van details of kenmerkende onderdelen de geschiedenis van het gebouw te gaan vertellen.

De ruimtelijkheid gaat hier gepaard met de werking van het daglicht. Het gebouw aan de Romestraat werd initieel in dwarse zin afgebakend met 2 parallelle en beglaasde gevels, respectievelijk oost- en west-gericht, terwijl in langse zin de symmetrie overheerst. ‘Afgebakend’ is niet een juiste woordkeuze want de gevels verwijzen, eerder dan ‘facade’ te zijn, naar Japanse architectuur waarbij de grenzen tussen interieur en exterieur zich als transparante filters manifesteren.

Daartoe worden volgende stappen voorop gezet :

  • Herwaardering van alle gevels, waarbij deze aan de Rome- en Gentstraat qua authenticiteit (raamverdeling en profilering) en energetisch (update van de buitenschil) worden herbekeken en de ‘koer’-zijde (van de Romestraat) naar origineel model met beglazing wordt open gewerkt.
    Deze laatste ingreep impliceert tal van ontwerpkeuzen. Wil het zuidwestelijke daglicht terug de ruimtes aan de Romestraat ten volle infiltreren dan dient een transparante open ruimte ontwikkeld als knooppunt tussen de drie panden aan respectievelijke straatzijden.

  • De gebouwen dienen ontdaan te worden van hun compartimentering in aparte ‘kamers’. We gaan uit van open verdiepingen, het door de Modernisten zo vooropgestelde ‘Plan Libre‘, waarbij toevoegingen, annexen, kleine bergplaatsen, vergeten hoekjes … worden ontmanteld (m.u.v. een aantal functies als o.m. sanitair). Zo wordt niet alleen terug gekoppeld naar het Modernistische gedachtengoed, maar zal zulks ook resulteren in een praktischer en overzichtelijker organisatie.   
    Als consequentie zal bij de invulling van de vloeren de akoestische impact van activiteiten een belangrijke rol spelen.   
    Overigens is het niet zo, dat een aantal ruimtes die afwijken van de standaard niet interessant kunnen zijn voor kunstenaar of curator. De tussenniveaus in het Eysselinck-gebouw, met hun te lage plafonds en weinig licht, zouden wel eens geschikt kunnen zijn voor meer intimistisch werk, fragiel papier of textiel, of als documentaire voetnoten het ‘grote’ werk gaan illustreren.

  • Vanuit een analyse ‘in situ’ van draagstructuren, resterende authentieke afwerkingen, … alsook een historische studie, dient een vormelijke afweging gemaakt tussen behoud, restauratie en nieuwe elementen. Dit is een oefening waarbij weinig spelregels kunnen worden opgelegd, maar wel integendeel veel ‘fingerspitzengefühl’ aan de dag dient gelegd. Leidraad is daarbij dat het gebouw als een narratief gelezen kan worden, met ‘archeologische tot anekdotische’ verhaallijnen.
    Daarmee is een klinische, uniforme of witte aanpak uit den boze. Indien het gebouw in de geest van Eysselinck wordt hersteld, dan kan het als sterke ‘structuur’ makkelijk zowel brutalistische ingrepen ‘à la Palais Tokyo’, als gedetailleerde en vormelijk variërende invullingen verdragen.

Door het vrij maken van de ‘koer’-gevel van het Eysselinck-gebouw zal op die plek een knooppunt met belangrijke scharnierfunctie ontstaan. Men mag zich een adembenemende ruimte voorstellen, met een ‘afwezig’ ontworpen dak-beglazing en een intrigerend spel van passerelles en circulaties.               
Door de ontstane transparantie, waar nu een opbod van hoeken en kanten heerst, wordt er een overzicht voor zowel de gebruiker als de bezoeker gecreëerd. Het samenbrengen van diverse circulatie-schema’s, van semipubliek tot privaat, resulteert dan in meer dialoog en ontmoeting.

De gulle aanwezigheid van daglicht, wat afwijkt van het gangbare werken met uitsluitend noorderlicht geeft het ‘heldere denken’ van de Modernisten weer, maar zal de scenografie en opstellingen in belangrijke mate richting geven. Er zijn inmiddels voorbeelden genoeg van musea die het anders dan de licht-standaard aan boord leggen; de Gipsoteca Canoviana van de Italiaan Scarpa met haar subtiele lichtdetaillering, het Kunsthaus Bregenz waar P. Zumthor het licht doorheen translucent glas laat filteren, … In dit geval mogen de talrijke licht-stemmingen die we kennen van de Noordzee-marines van Ensor, Spilliaert, Tytgat, Permeke, Delvaux, De Cordier, … inspireren.

Ten slotte dienen de ontstane ‘open vloeren’ met veel interieur gevoel ‘ingekleurd’. Het volledige en ‘ontmantelde’ warenhuis wordt dan plek voor hoofdzakelijk de vaste collectie. Binnen het vooropgestelde concept kan qua programmatie en scenografie gevarieerd worden. Aanvullende expositiewanden verhouden zich dan steeds als ‘invullingen’ op het ‘plan libre’, in dit geval origineel voorzien van een gerasterd patroon.

Op het gelijkvloers wordt de initiële indeling in 3 traveeën hernomen, met centraal het originele winkelmeubilair als onderlegger voor het nieuwe onthaal met boekenshop. De cirkelvormige balies naast de trappen kunnen dan uitgewerkt worden als respectievelijk box-office en een glazen display.       
De zijdelingse traveeën zijn akoestisch af te scheiden en functioneren respectievelijk als een (eet-)café en een flexibele ruimte voor workshops, lezingen, … Beiden optioneel als aparte uitbating, voorzien van een afzonderlijke inkom en toegankelijk gemeenschappelijk sanitair.

Specifieke functies als lockers, sanitair, keuken, bergingen, … kunnen binnen dit driedelige plan als meubilair of compacte containervolumes ingetekend worden. Het principe van ‘mobiele’ of tijdelijke toevoegingen kan ook geïntroduceerd worden in het museum-gebeuren, zoals reeds initiatief is genomen met het Brusselse Rotor Collectief

D E   S C H A A L   V A N   D E   N A B I J E   B U U R T

Vanuit het perspectief van een meeuw ziet men Mu.ZEE als een binnenstedelijk gebied omsloten door drie panden die zich elk vertakken naar respectievelijk de Rome-, Amsterdam- en Gentstraat. Die ligging impliceert gevoeligheden, doch biedt ook hier opportuniteiten. Men mag hoedanook verwachten dat Mu.ZEE een meerwaarde biedt aan de buurtwerking.

  • Het is daarom ons opzet om de 3 straatzijden als sterke aanwezigheden, met levendige menselijk activiteiten, uit te tekenen.

Omwille van deze argumentatie kunnen we moeilijk begrijpen dat het actuele voorontwerp de zijde A’damstraat als loutere laad- en losplek ziet, en dat geschrankt door een eerder doodse circulatiekoker.

Wij stellen op gelijkvloers niveau, aan gevelzijden voor :

  • Zijde Romestraat : inkom museum met boekenshop geflankeerd door café en de flexibele (workshop- en/of ontvangst)ruimte. Beiden met aparte inkom en mogelijke dito uitbating.
  • Zijde Amsterdamstraat : workshopgebeuren, kinderateliers, events en auditorium, in elkaar verweven zodat alle activiteiten ook hier ook apart uitgebaat kunnen worden. Het auditorium mag daarbij best wat ambitieuzer bedacht, t.t.z. met een grotere capaciteit en geschikt voor lezingen, kleine (klassieke) concerten, performances, film en multimedia, …      
    Als hier doordacht wordt ontworpen met flexibele elementen en de juiste ruimtelijke insnijdingen kan hier heel wat meer geoptimaliseerd worden dan in het nu aangereikte ‘kamerplan’.
  • Zijde Genststraat : een semi-publieke functie als de bibliotheek met leeszaal, eventuele coworking spaces, vergaderplekken, … of een raam op een actueel ‘live’-kunstgebeuren. Dat met behoud van de overdekte toegang voor licht vrachtvervoer, te verlengen tot aan het centrale segment.

In hoofdlijnen bevinden zich op gelijkvloers niveau steeds publiek toegankelijke activiteiten, terwijl de administratieve functies zich bovenaan situeren (pand A’damstraat). Daartussen kunnen tal van nieuwe tentoonstellingsruimtes ontwikkeld worden. Zo komen we tot een afwijkend organigram, organisatie en groepering van functies waarbij nieuwe intenties ontstaan.

  • Zo wordt duidelijk dat het gebouw aan de A’damstraat niet afgebroken hoeft te worden en de circulatie over de verschillende niveau’s en met de aanpalende panden verzekerd kan worden met boeiende trappartijen en passerelles in het centrale segment.
  • Zo kunnen nieuwe presentatievormen en werkingen (residenties, performances, open stellen van restauratieatelier, …), dichter bij de publieke ruimte betrokken worden.
  • Zo kan ontmanteling van het binnen-gebied en het verder chirurgisch afgraven leiden tot optimalere circulaties en toegankelijkheid van de kelders. De geplande goederenlift, bereikbaar via Gentstraat, kan zo als een draaischijf alle aanpalende niveau’s bedienen.  
    Samen met de nieuwe kelders onder het pand A’damstraat kunnen in de centrale tussenstrook rioleringen, technieken en nutsvoorzieningen heraangelegd, uitgezuiverd, … worden. Aan de reeds gerenoveerde kelders dienen dan een minimum aan aanpassingen verricht.
  • Zo kunnen de nieuwe kelders door eenvoudige ingrepen van daglicht voorzien worden, zoals bv. het geval is in het Whitney Museum of American Art van arch. M. Breuer in New York waardoor de schrijnwerkerij er geïmplementeerd kan worden (in connectie met de gelijkvloerse workshop-ateliers en een centrale leveringspost naast de goederenlift die tevens uitgeeft op de verbinding met de Gentstraat).

Het nieuwe organigram kan makkelijk naar een 3-dimensioneel masterplan vertaald worden. Hierbij worden museale ruimtes geoptimaliseerd en uitgebreid, waardoor de archieven ietwat meer ademruimte krijgen. Waar aan straatzijden geherwaardeerd en gerenoveerd wordt, zal het nieuw te ontwerpen centrale segment een verbindende sleutelfunctie toebedeeld krijgen.       

Tot slot
H E T   M u.Z E E   V A N   D E   2 1 S T E   EEUW (?)

Wij nemen aan dat op deze vraag curatoren of artistiek beleid geen pasklaar antwoord hebben, doch wel een werkbare visie. Het ontwerpproces kan niet vlotten zonder die dialoog tussen architectuur en kunst aan te gaan.

Hoe dan ook denken wij dat het museum van de 21ste eeuw :

  • een waaier aan belevingen en
  • talrijke mogelijkheden tot dialoog moet aanbieden.

Belevingen zoals er reeds een aantal geschetst zijn; momenten van verwondering, momenten van rust of vertroosting, van reflectie. Ook momenten van kritische bedenkingen, van onmacht of opstandigheid, momenten van catharsis, en ja waarom ook niet, Ensor in het achterhoofd, van spitse humor. Het zou een definitie van kunst kunnen zijn, die ‘dingen’ die je even doen stilstaan in een moment van …

Het museum als gebouw mag op een bijna anonieme wijze deze belevingen, die eerder in de diepte gaan dan in de breedte, met zachte hand begeleiden. Al zouden Broodthaers en Hans Op De Beeck er op hun wijze misschien ook wel een pretpark van maken …

Een beleving is een proces met een spreekwoordelijke weg erheen, een ‘stilstand’ om vervolgens weer het wandelen verder zetten. Die metafoor kan in architectuur concreet gematerialiseerd worden ; in een parcours tot naar en dan weer weg van het werk.         
P. Zumthor speelt in zijn realisaties steeds met die tijdselementen. In de Thermen te Vals heeft hij een lange luie trap ontworpen waarmee bezoekers zich van de kleedkamers naar de baden begeven. Door de uitgestrektheid van de trappen vertraagd het ritme van diegene die afdaalt. Een voorbeeld van hoe de bezoeker een zachte metamorfose ondergaat in afwachting van het even halt houden. Een dergelijke, meest iconische wandeling valt te ervaren in het Guggenheim te New York.

Dit betekent dat de positionering van werken, van stapelingen in Wünderkammer tot minimalistische presentaties, telkens een specifieke tijdsbeleving bewerkstelligt die op haar beurt leidraad kan zijn in het ontwerp en uiteindelijke architectuur.

Wanneer men tot stilstand komt voor een kunstwerk, gaat men het gesprek met het werk aan. Dit is één vorm van dialoog. Een museum mag er meerdere herbergen.        
We gaan uit van een curieuze mens, een Homo Ludens, ook een Homo Universalis in de betekenis van Leonardo. Daarom beschreven we de beleving als eerder gaande in de diepte dan in de breedte. We zijn namelijk met zijn allen curieuzer en ook kritischer geworden. We willen weten waarom, hoe, wanneer. Hoe er gerestaureerd wordt, hoe de artiest zijn werk ontwikkelt, in welk kader het werk ontstond. We praten graag na, onderling maar ook met de kunstenaar, de muzikant, de schrijver, de curator, … We bevinden ons graag tussen de muzikanten, nog liever in het atelier van de actieve kunstenaar.      
In het boek Die Frauen der Antike publiceert Anselm Kiefer foto’s van zijn levensgrote gipsen in een atelier dat als een slagveld oogt, met constructiestaal, lappen lood, prikkeldraad, verdorde zonnebloemen, aarde en plakken pleister. Museale presentaties van dit werk lijken dan meer op drieste ontvoeringen.

Diepgaand betekent ook dat we niet meer tevreden kunnen zijn met soms (te) simpele didactische middelen die ons creatief inlevingsvermogen durven af te vlakken. Ook hier kan de architectuur een onopvallende rol spelen door niet uitsluitend cleane en uniforme ruimtes te ontwerpen, maar variëteiten waarin oude kwetsuren iets over de geschiedenis van het gebouw vertellen, waarin de kunstenaar-resident de zeilen kan bijzetten, de bezoeker zich ook in het atelier kan wanen, waarin interactie tussen mensen tot stand kan komen.
Architectuur kan hier de juiste contexten aanreiken door ook een uitgekiende materialiteit, een afgewogen kleurenkeuze, een subtiele belichting, … vooral met een uitwerking die het pure esthetische overstijgt.

En zo lijken puzzelstukken in elkaar te vallen. Het hier bedachte centrale segment, mag ook schakel zijn tussen de museale beleving en de concrete werking. Door de goederenlift visueel transparant te integreren, door een aantal praktische werkzaamheden (restauratieatelier, schrijnwerkerij, …) te koppelen aan de publieke uitbating, … creëert men een wederzijdse zorg en waardering. Door ook het archiveren in de scenografie aan bod te laten komen, kan het museale aanbod verruimd worden en maakt de bezoeker kennis met een traditioneel verborgen, maar nog een boeiend facet van het museumgebeuren.

Het draaiboek dat hier in de maak is, lijkt alle ‘a priori’ uitgangspunten op elkaar af te stemmen. Er zijn reeds tal van genii locorum aanwezig in het gebouwencomplex. Het is een kwestie om die karakteristieken in ruimtelijke verscheidenheid verder uit te werken zodat architecturale essentie wordt geherwaardeerd, belevingen worden versterkt, diverse bezettingen, invullingen, dialogen kunnen plaats grijpen.            
Naast het bestaande waardevolle patrimonium moet door het incorporeren van het nieuw centrale segment zowel gelaagdheid als verbinding ontstaan, letterlijk en figuurlijk, navel én sluitstuk. Een toevoeging die op alle vlakken een brug naar de toekomst slaat; van technieken over de concrete werking van het museum naar de soms snel wijzigende noden van een immer evoluerende samenleving.
Die vooral, naast reeds bestaande strakke circulatieschema’s, een wandeling uittekent die culmineert in een Piranesiaans universum, waarin de bezoeker zich reiziger in tijd en ruimte kan wanen, waar een metamorfose tot stand komt die toelaat de verbazende wereld van de kunst te gaan verkennen.

En dan mag het nieuwe Mu.ZEE het ruime sop kiezen.  
E la nave va !

Mu.ZEE_ontwerpschets 1 (NO4MAD_architectuur) / LEGENDE :
1. Inkomsas zijde Romestraat
2. Onthaalbalie & boxoffice met origineel winkelmeubilair als onderlegger
3. Display bookshop
4. Eetcafé (aparte uitbating)
5. Multifunctionele ruimte (workshops, …)
6. Bookshop
7. Ontmoetingssofa
8. Patio met circulaties
9. Bergingen
10. Lockers
11. Sanitair
12. Open & beglaasde circulaties

Mu.ZEE_ontwerpschets 2 (NO4MAD_architectuur) / LEGENDE :
1. Inkom Mu.ZEE zijde Romestraat
2. Multifunctionele ruimte (workshops, onthaal groepen, …)
3. Eetcafé
4. Bookshop
5. Patio met beeldentuin (gelijkvloers) en open ruimte met circulaties
6. Auditorium
7. Semi-publieke functie (bibliotheek, co-working plekken, performance-art, …)
8. Draaischijf diam. 6m. voor licht vrachtvervoer
9. Beglaasde goederenlift bedient alle niveau’s en sluit aan op reeds gerenoveerde situatie niveau -1
10. Bergplaats & afvalcontainers
11. Beglaasde sectionaalpoorten
12. Multifunctionele ruimte (workshops, …)
13. Circulatiezone
14. Bergingen, sanitair en kleine dienstruimtes (en ontvangstpost op niveau -1 nabij goederenlift)
15. Schrijnwerkerij op niveau -1 met open ruimte naar gevel Amsterdamstraat
16. Open circulatie in patio, split level-helling met passerelle (tevens zonwering)
17. Museumfunctie op niveau +1 (alle zijden) en tussenniveau’s zijde Romestraat
18. Open circulatie (beglaasde liften, …) in bestaande uitsparingen
19. Sanitair