2021 09-IX Vier voetnoten

Naar aanleiding van de tentoonstelling over het Woonproject van architect Lode Janssens en zijn familie in het CIVA, Brussel

FOTO 1.
5 mannen in blauwe overall en één kalende man in maatpak staan drie aan drie, met tussen elkaar een liggende mast. Een wit gelakt stalen vakwerk met aan de top, in alle orthogonale richtingen gelaste platen met ronde uitsparingen, ogen van een windhaan. De maatpakken man, de blik neerwaarts gericht naar waarschijnlijk een schets of notitie, overlegt met een van de werklieden. Een andere heeft zijn blauwe overjas afgelegd, nog een ander zijn mouwen opgestroopt en m.u.v. die ene die aandachtig luistert, kijken ze wat afwachtend toe.             
De foto is genomen vanuit de hoogte, vanop afstand. Maar de fotograaf staat niet op een heuvel of ladder, wel aan een komvormige rand, iets wat op een krater lijkt. Daar ligt dus dwars de fijne mast over, met parallel een houten plank. Beiden gewikkeld in transparant plastiek, wat verder nog een, ditmaal witte, ondoorzichtige verfrommelde folie. Aan de overzijde van de put liggen tegen het talud iets wat op gegolfde dakpannen lijkt, in rijen, wit geglazuurd. De houten plank verdeelt het beeld als een Mark Rothko in twee, in uniforme tinten van wit, gebroken wit, grijswit, glanzend wit, tegen hout en uitgegraven aarde. In dat decor bewegen de mannen zich.        
Het is duidelijk wat staat te gebeuren en het heikele moment verdient de nodige aandacht. Maar de houding van de mannen, al zeker van de drie die met de rug naar de fotograaf staan, met de schouders ietwat gekneld tussen plank en mast, verraad een ongeduldige, een beetje nonchalante vastberadenheid. Laat ons de klus klaren, dit is ons terrein.

FOTO 2.
Een warm gouden gloed straalt doorheen het transparante vlies. Er is geen beter woord voor het beetje vieze plastiek. De polaroids van Andrei Tarkovsky zijn niet veraf, het beeld lijkt overgoten met avondlandelijke weemoed. Een lage zon die strijkt over een interieur, bij Tarkovsky over een tafel vol herinneringen, hier over een gerasterde vloer, tussen de poten van een maanlander. In die cabine wordt geslapen en gebaad, toch ietwat afgezonderd van de ogen van ommestaanders. Nog een referentie; Capsule-tower. Het had ook een Caspar David Friedrich kunnen zijn, maar hier is men wel niet eenzaam met de ondergaande zon. Onder het stalen gevaarte bevindt zich een niemandsland, een landschap dat continu transformeert, een voortdurende metamorfose van mensen en dingen ondergaat. Een laag opklaptafeltje, houten stoelen met rieten zitvlak, een speelgoed kinderkoets, gestapelde zakken cement, een wasrek, een bengelende handtas, witte stenen in claustra-verband waarop een naakte pop in huidkleurig hardplastiek, planten, zowel weelderig in het groen als kalend, … Ietwat verder gedrenkt in tegenlicht, ik denk, de moeder, licht gebogen overheen een tafel, naast haar en deel van haar silhouet, het kind. Een wit-zwart gevlekte hond kijkt toe wanneer hem weer aandacht zal toe besteed worden. Wat kan hier de deur, de inkom zijn ? Een fragmentaire compositie van alledaagsheid en archetypische vormen; vloer, deur, slaapkast, gewelf of sterrenhemel, raam op de wereld, tent, … Buiten, de magere skeletten van bomen en een apocalyptische zon die als een Röntgenfoto het tafereel ontleed in tientallen herinneringen, poëzie van een non-conformistisch bestaan. De nu reeds lange schaduwen die aan wieltjes, poten en benen kleven, gaan weldra oplossen in zichzelf, in donkerte. Met de avond, zullen ook de koude en het nachtelijk geluid snel binnen dringen. Dat intieme moment wordt ons geheim gehouden.

FOTO 3.
In het translucente, aan onderzijde gefronste plastiek tekent zich centraal een helder oog af. In die cirkel een stilleven, wat een fragment van de bloemenpracht uit de Purgatorio van Castellucci’s bewerking van Dante zou kunnen zijn. Het gaat er echter bijlange niet zo dramatisch aan toe. Onder de met vergeeld PUR-bespoten slaapcapsule ligt de moeder, lezend. Bijna volledig plat, schouders in een schapenvel. Het kind, parallel en tegenover elkaar, rechtop zittend, ook lezend. Een lege hangmat vangt rechts het zonlicht op. De foto is opgebouwd in sonate-vorm; A-B-A, hier op de voorgrond de tafel met wit porseleinen kopjes (A), dan een schemering met donker plafond waarin de beide bewoners zich, in rust maar wandelend in verhalen, bevinden (B), en daarachter dus, het sprankelende, mythische oog (A). Drie achtereenvolgende scenes, drie juxtapositionele fases; morgen, middag en avond, en dan die starende cirkelvormige uitsparing. Uiterst rechts op het middenplan, naar de gebogen kromming van het opgeblazen hemisfeer toe; sculptuur en sokkel, rode stokrozen. Links in het achterliggende duister, de steektrap tot in het slaapcompartiment. De flexibele toe- en afvoerleidingen hangen als catheters tegen de poten van de maanlander aan, navelstrengen. De symbiose met elkaar, moeder en dochter, en de zovele dingen rondom lijkt nu vredig, maar de huiselijke rust en rommel, – de rommel in paradijselijke toestand van rust -, is evenals het opgeblazen cocon kwetsbaar. Door het fascinerende oplichtende oog kijkt de natuur in haar gewetenloze pracht toe. Met haar wetmatigheden, de wetten van de zwaartekracht die de takken doen buigen, met haar onwetmatigheden, onvoorspelbaarheden, wispelturigheden.

FOTO 4.
De foto is uitgebleekt, of overbelicht. Het had ook een schilderij kunnen zijn, zoiets in de stijl van Gerhard Richter. Beetje flou, weet je wel. Mogelijks heeft dat te maken met de overvloedige sneeuw die gevallen is. Gevallen is, want al is de hemel wit gekleurd, de zon schijnt nu overvloedig. De foto is genomen van buiten uit, want binnen lukt het niet meer. De luchtbel heeft het na zovele jaren begeven. Nochtans had de familie niet stil gezeten. Onder de bubble was naarstig verder gebouwd, beetje bric-à-brac, volumes met afgeschuinde vlakken in elkaar geknutseld met vouwwanden, balken en planken. De bezoekers kregen in wintertijden steevast een deken toebedeeld, de bewoners trokken zich terug in die kleinere te verwarmen compartimenten. De ronde, heldere ogen in het plastiek zijn doorspekt met matte kristallen, maar vooral krassen, onderaan hoopt de sneeuw zich op.           
 Het interieur is niet meer want het vlies gedraagt zich nu als een landschap, tussen de bomen, waar weldra mos en allerlei kevers verder terrein zullen innemen. Wat even daarvoor vibreerde en het licht spectraal brak, is nu treurnis. Wat even daarvoor een universum was, een luchtig hemelgewelf, moet nu herinnering zijn geworden, gefixeerd in tientallen beelden. De betovering is gebroken, de bewoners ontsnapt uit hun Hortus Conclusus.             
Het witte licht verhult een diffuse laag van mos, algsporen, vastgeklitte bladeren, vuilspatten, duivenstront, gesmolten sneeuw, … Er blijft een poëzie, maar die heeft de hoop op gegeven. De familie is verhuisd. Stel je voor, een Pieter Breughel de Oudere, maar dan zonder sneeuwpret.