30 okt. 2013 | “Time is on my side” (voor Φ)

door diaryandthoughtsonarchitecture

1384815_10151948552349054_2058398183_n

Zoals we de dood en de ontnuchtering hebben verbannen uit onze huizen en steden, zoals we de dood hebben gemarginaliseerd, zo is ook de tijd uitgevlakt en verschraald tot lineaire tijd.
De tijd nodig om behoeftes te bevredigen. De tijd van de snelle verplaatsingen, van Time Managment en Instant Messaging apps. De tijd om kant en klaar geluk met verslavend koopgedrag af te dwingen. De tijd om onze Malades Imaginaires met Botox, Rhelatine, Viagra en Placebo’s te verdringen. De tijd om iemand met een oneliner af te wimpelen of de dingen in een vakje te catalogeren. De afgemeten tijd die we de psycholoog betalen om te luisteren.

Toen ik muziekgeschiedenis studeerde aan het Muziek Conservatorium Gent, vroeg de toenmalige docent ons, bij de aanvanglessen Gregoriaans, waarom monniken met hun melismen zolang bij een woord, of lettergreep, bleven haperen. Zijn mystieke antwoord luidde dat toen “de tijd van God was” en deze hun gebood op woord of lettergreep muzikaal te reflecteren.
Ik realiseerde me dat de plaats van de Middeleeuwer in de kosmos, zijn levens- en wereldbeeld, wel nogal verschilt met onze huidige opvattingen. Een tocht naar Santiago de Campostella of over de Alpen kostte maanden, zo niet jaren de tijd. Het rad van Fortuna draaide voor “Elkerlyc” en aan het einde van de tijden wachtte de Apocalyps.
Om het Middeleeuwse gedachtegoed, het beeldend vermogen van de vooral analfabetische Middeleeuwer, te begrijpen moeten we ons dus eerst verplaatsen in die tijdsgeest. We ervaren tijd als iets absoluut, maar sinds Freud en Einstein blijkt tijd een relatief verschijnsel.

Beesten leven in het hier en nu. Wanneer de dood gaat toeslaan, heeft het dier angst, maar geen besef. Als mens beseffen wij onze sterfelijkheid en daardoor tijd. Onze tijdsbeleving situeert zich dan ook in een “historisch” perspectief. Wij blikken terug en denken vooruit.

Augustinus stelt in het Elfde Boek van zijn “Confessiones” dat “verleden en toekomstige tijden tegenwoordig zijn“. Hij motiveert “Want indien de tijden ook daar toekomstig zouden zijn, dan zouden ze daar nog niet zijn en indien ze ook daar verleden zouden zijn, zouden ze daar niet meer zijn. Dus waar ze ook zijn en wat ze ook zijn, ze zijn uitsluitend tegenwoordig.”

Voor Augustinus is de taal, het woord en de zinnen, het werkinstrument van het geheugen ;
“(…) woorden, gevormd in overeenstemming met de voorstellingen van die dingen, die, terwijl ze voorbijgingen, door middel van de zinnen in de geest als het ware hun voetsporen hebben achtergelaten.”
Inmiddels weten we dat onze hersenen op complexere en gelaagde wijze met het verleden omgaan, het verleden verwerken in taal én droom.
In dat verleden is onze identiteit geworteld, als biologische soort, culturele entiteit, als individu. We zijn dragers van genetische eigenschappen, we zien het levenslicht op de plek die we geboortegrond noemen, we worden opgevoed in een moedertaal en groeien argeloos op in een vaderland, we onthouden herinneringen en ervaringen. Meer dan in de toekomst, die we slechts kunnen voorspellen en planmatig bedenken, situeert ons zijn zich in het “tegenwoordige” verleden. In de toekomst tekent zich uiteindelijk onze vergankelijkheid af, het weinig heroisch afscheid dat ons allen te wachten staat.
In het verleden, tussen mythologische tijd en historische tijd.

De “Tijd van goud” speelde zich af toen alles nog verteld werd en alles een organische eenheid vertoonde. De tijd dat het huis nog tempel van de goden was èn slaapstede van de mensen. Het vuur de oorsprong van het wonen, de tafel een altaar, het bed een dierenpels, de bedstee een hooizolder, beesten en lichaamswarmte, de muffe lauwte van de kleine dood en de wakke grote dood, het bed waarin wordt verwekt en de dood je wenkt.
Tijd dat vruchtbaarheid en dood, oogst en verderf, eenzelfde bed deelden. Toen Persephone en Hades langsheen een spelonk in Elefsina de onderwereld betraden en er vurig de liefde bedreven. Demeter om haar ontvoerde dochter treurde en zo de aarde met een winterkleed tooide.
Doden-akker en Kerk-hof.
Kerkhof, Friedhof, Einfrieden, omheinen, het besloten hof, Hortus Conclusus, de tuin van Eden, het aards paradijs.
De tijd dat de vrouw zowel priesteres als verleidster (Medea), orakel èn zigeunerin (Mata Hari), moeder èn Amazone (Ishtar) was. Maria en Maria Magdalena in één vrouw verenigd waren. De tijd van het matriarchaat, toen het baren goddelijk was.
De tijd dat de Goden tussen de mensen kwamen. Toen Zeus zijn eeuwige gemalin bedroog met nimfen van vlees, bloed en weelderige borsten. Toen mensen Goden konden bekoren met hun kunstvaardigheden.

Het “Tijdperk van metaal” is de tijd van het geschreven woord, de geschiedschrijving en geschiedenisvervalsing. We proberen het verleden te fixeren met gestolde data, retoriek en landsgrenzen. De tijd uitgedrukt in chronologie.
De zonde schrijft geschiedenis“, aldus Goethe, maar zonder geschiedenis en fouten geen levenslessen en geen begrijpen. Geschiedenis als noodzakelijk kwaad.
Elke gemeenschap wenst zich uit te drukken en zich herinnert te zien. De ene cultuur doet dat al filosofischer dan de andere … Onze Westerse cultuur heeft een traditie om zich te manifesteren in bouwsels, die we recentelijk als monumenten en erfgoed omarmen, maar die ook eroderen en corroderen door de tand des tijds. Craquelures vertonen.
Herinneringen, iconische beelden, trauma’s, … nestelen zich in ons onbewuste, overleven tijdelijk in het collectief onderbewuste, en vervagen uiteindelijk. Wanneer herinneringen zijn verdwenen blijft het anonieme patina, de tot de verbeelding sprekende ruines. De witte filmschermen van de Japanse fotograaf Hiroshi Sugimoto hebben twee uren film opgeslagen, maar de verhalen zijn verloren gegaan in de hypnotiserende stralende lichtvlakken.

Met het compromis dat Oogst en Winter (de moeder Demeter en Hades) afsloten, kondigde zich het “Zilveren tijdperk” aan. Gewrongen tussen de vruchtbare mythologische en de afgestorven historische tijd, de tijdspanne waarin ons leven zich afspeelt. De reële tijd geflankeerd door de aanverwanten, cyclische en virtuele tijd. Met het ritme als stuwende motor, verhevigd in muziek, versteend in architectuur. Met residu’s die ons bekoren en doen mijmeren ; echo en ruïne. Kloppend hart.

De cyclische tijd van het blindelings immer pompende hart, van eb en vloed, zon en maan, seizoenen, komen en gaan. Tijd uitgedrukt in zintuiglijke beleving en herinnering. Warm-koud, hard-zacht, traag-snel, intens-vluchtig.
Maar ook de oneindige herhaling die tot bezwering of bezinning leidt.

De virtuele tijd van droom en nachtmerrie, van slow motion en fast forward. Tijd uitgedrukt in verhaal en interpretatie, melancholie en utopisch denken.
Maar ook de drug die tot surreële trance of verdoving leidt.

De tijd die we ervaren kan dus nooit exact zijn. Ook in de “wetenschappelijke” benadering van tijd treden verschuivingen en krommingen op. We zien nooit de toestand van het reële “hier en nu”, maar steeds een combinatie van wat is en is geweest,  op die flinterdunne seconde die het heden is. Zelfs de ijle tijd kan niet bestaan zonder het bewegen doorheen ruimte, zonder de fysieke afstand die een lichtjaar moet afleggen.
Het lot slingert ons tussen die beide polen die melancholie en utopie zijn. We pendelen tussen testament en manifest. Daartussen ligt een rijkdom van nuances en zintuiglijke registraties. Al bewegend scheppen we tijd (en ruimte). We worden geboren met een aantal reflexen ; zuigen, duimen, grijpen, … die het ons mogelijk maken ruimte en tijd te gaan verkennen. Niet voor niets worden in de vele scheppingsverhalen eerst licht en tijd uit de chaos geschapen. Met onze (goddelijke) verbeelding zijn we in staat om tijdservaringen gelijktijdig door elkaar te verweven en het beleven van tijd te verheffen tot een magisch ritueel. Licht uit, doek open.

“Trein der traagheid”, slow motion, het moment van de kunst en de liefde.
Kunst die doet vertragen en doet stilstaan op het delicate (net-)vlies tussen wat net is gebeurd en nog moet komen, die stilstaande fractie van tijd. Het moment dat we twijfelen om verder te gaan, maar toch wachten. Het kantelmoment dat we in een verhaal van onbekende duur stappen.
De liefde die zich, buiten de tijd van de uitgesproken zin, uitdrukt in het verkennen en het zinnelijke strelen. Het moment dat we zoeken en tasten in het duister, vallen en opstaan en weer vallen, het voorspel aanzetten en argeloos verlangen naar het onvervulbare.
In het aanschijn van kunst en liefde kunnen we de beleving van de dingen diametraal tegenover de consumptie stellen, het maken tegenover het kopen, het werkproces tegenover het kant en klare design.
“De tijd die integraal nuttig is geworden“, om het met de woorden van Michel Foucault (in zijn “Surveiller et punir”) te stellen, de “disciplinerende tijd” die we moeten vrezen, versus identiteit. Een identiteit die geworteld is in de mythologische tijd, de imaginaire tijd van verhalende en vergane geschiedenis, en van de liefde.

Uiteindelijk is schrijven over tijd een liefdesbrief schrijven. Een liefdesbrief schrijven is tevens afscheid nemen (van hetgeen net geweest is en ons dus intens mens gemaakt heeft). Elke brief is een laatste brief. Het is de blik afwenden van de ander en verder kijken in eenzaamheid. Vallen met opgeheven hoofd. Omhoog kijken. An-thropos.
Prometheus, zoon van Japetus, roerde er regen door en kneedde mensen naar het beeld der goddelijke heersers ; waar andere wezens naar de aarde kijken, kop omlaag, schonk hij de mens het hoofd rechtop en schiep hem met de opdracht de lucht te zien, de blik omhoog te richten, sterrenwaarts.”*
“Ano throsko”. De poetische interpretatie van de oorsprong van het woord anthropos. “Ik kijk omhoog”.

Vaarwel.
Hey baby, could also be “E la nave va”

Jan Dekeyser | 30 okt. 2013

.

Afbeelding : Jan Peter van Baurscheit de Oudere (1669-1728) : De ontvoering van Persephone door Hades ( Terracotta, 40,5 x 43,8 cm; Musées Royaux des Beaux-Arts, Brussel)

Advertenties